Manifest van een Nederlandstalige Brusselaar

Manifest van een Nederlandstalige Brusselaar
Taal en identiteit in een kosmopolitische grootstad
?

In 1873 stichtte de Schaarbekenaar Emanuel Hiel de eerste Willemsfondsafdeling in Brussel. Van meet af aan was het een sociaal-culturele strijdvereniging voor het Nederlands, vanuit een liberaal en vrijzinnig mensbeeld. Deze afdeling was van in het begin ook stevig verankerd in de Brusselse context. Die context is in 150 jaar sterk veranderd.

DE STAD VERANDERT

Van het einde van de negentiende eeuw tot ver in de twintigste eeuw was al wie Vlaams, liberaal en vrijzinnig in Brussel was, eerst en vooral een pionier van de Vlaamse culturele ontvoogding in de hoofdstad. De pioniers slaagden erin om in het overwegend liberale Brussel en tegen de stroom van de vanzelfsprekende verfransing van de hoofdstad in, erkenning te krijgen voor de eigen taal en cultuur. Met wisselend succes gaven ze het Vlaams Volksliberalisme binnen de liberale en burgerlijke beweging in de hoofdstad cultureel en politiek een plaats.

In de jaren ’60 en ’70 van de twintigste eeuw kende de taalstrijd en de verfransing van Brussel een hoogtepunt, zowel inzake intensiteit als agressiviteit. De Vlamingen verenigden zich in een breed Nederlandstalig bondgenootschap dat werkte aan de uitbouw van eigen Nederlandstalige voorzieningen in de hoofdstad: gemeenschapscentra, bibliotheken, kinderdagverblijven, scholen, jeugdhuizen, … Dit was de tijd van de Vlaamse eenheidslijsten, de congressen van de Brusselse Vlamingen, de Vlaamse frontvorming over de ideologische verschillen heen.

Begin éénentwintigste eeuw is Brussel veranderd in een kleine, meertalige wereldstad. De inzet en uitdagingen zijn veranderd. Hoe staan wij hier tegenover als Willemsfondser? Als Nederlandstalige Brusselaars, met een liberale en uitgesproken humanistische visie, willen wij het cultuurflamingantisme herwaarderen. Dit is al te zeer bedolven geraakt onder het door nationalisme gedreven autonomiestreven van Vlaanderen, al kan dit laatste ook waardevol op zichzelf zijn. We laten ons ook niet verleiden door een – ook in liberale kringen – trendy kosmopolitisch antinationalisme dat elke vorm van nationale identiteit weglacht als achterhaald en tribaal. Al beseffen we dat doorgedreven nationalisme de individuele keuzes ondermijnt. Maar liberale democratieën, op het niveau van een land, een regio, maar ook op het niveau van een stad, hebben nood aan gedeelde identiteiten.

Wat ons drijft, is de plaats van het Nederlands, de taal en de cultuur, in een kosmopolitische, meertalige, kleine wereldstad.

 

DE STAD DIE WE DELEN

1. De grootstedelijke identiteit die we delen

We zien onszelf als Brusselaars, maar meer nog als stedelingen. Net als alle inwoners van grote westerse steden bestaat onze gedeelde identiteit uit de gemeenschappelijke vaststelling dat we samenleven met mensen met heel uiteenlopende achtergronden en belevingen van hun identiteit. Meer dan één Brusselaar op twee heeft zijn roots buiten België. We kunnen niet zonder meer terugvallen op de klassieke identiteitskenmerken als gedeelde taal, cultuur, geschiedenis of religie … Niet onze afkomst, maar onze gedeelde toekomst in dezelfde stad is doorslaggevend. Het verplicht ons om op een nieuwe manier naar identiteit te kijken.

We voelen ons stedelingen met een meervoudige en complexe identiteit. Wat ons betreft maken onze taal en onze humanistische kijk op de samenleving daar een integraal onderdeel van uit.

2. De overgeërfde tolerante tweetalige hoofdstad

Wie in onze stad neerstrijkt, vanuit Vlaanderen, Wallonië of de rest van de wereld, betreedt een bestaande stad waar de geschiedenis haar stempel op gedrukt heeft. Die erfenis omvat dat Brussel al 180 jaar de hoofdstad is van België, een land waar Vlamingen onder andere in de hoofdstad onderwijs en cultuur in het Nederlands hebben afgedwongen. Die erfenis houdt ook in dat Brussel vanuit haar 19de eeuwse liberale roots altijd een tolerante vrijhaven is geweest voor andersdenkenden. Brussel was ook van meet af aan een stad waar vrijdenkende en tegendraadse inwoners zich thuis voelden.

Wij vragen dat wie in het verhaal van Brussel instapt, rekening houdt met deze erfenis en de taalverhoudingen, maar ook respect opbrengt voor het tolerante en breeddenkende karakter van onze stad.

3. Nood aan nieuwe afspraken: de stadsethiek

In een stad met inwoners, afkomstig uit de hele wereld, met zeer verschillende culturele achtergronden, kan je niet terugvallen op automatismen als leefregels voor het samenleven. Er is geen doorleefde traditie meer als houvast. De stilzwijgende spelregels en spontane sociale controle ontbreken veelal.

Wij pleiten daarom voor een stadsethiek: nieuwe duidelijke afspraken over hoe we samenleven in dezelfde stad. We eisen maximumtolerantie voor diversiteit: voor taal, cultuur, religie en andere levensbeschouwingen, … We eisen nultolerantie voor verbaal en fysiek geweld, voor intimidatie en discriminatie op basis van afkomst, huidskleur of seksuele voorkeur, nultolerantie ook voor discriminatie en geweld tegen homoseksuelen of discriminatie en achterstelling van vrouwen. We eisen ook nultolerantie voor vandalisme en verloedering van het publiek domein: de parken, het openbaar vervoer, de straten en publieke pleinen en banken, de scholen en overheidsgebouwen. We vragen respect voor publieke diensten.

In de stad die we delen, willen we duidelijkheid over de afspraken die we delen.

4. De stad als ontvoogdingsmachine

Het Willemsfonds ontstond uit een emancipatiebeweging in de negentiende eeuw die streed voor sociale en culturele ontvoogding. Deze beweging wou en wil steriele tradities en vaste patronen doorbreken en aansporen tot vrij denken en individuele verantwoordelijkheid. De stad leent zich als geen ander tot die ontvoogding. Traditiegetrouw voelen stedelingen minder de verlammende druk van de traditie en sociale controle van hun omgeving. Al eeuwen worden mensen aangetrokken door de stad om er te ontsnappen aan de collectieve dwang van de onmiddellijke omgeving: kerk, familie, buren,… In de stad kan net iets meer. In de stad kan het net iets gekker. Stadslucht maakt vrij!

Diezelfde stad trekt door haar anonimiteit en mogelijkheden ook armoede aan. De gevolgen van de immigratie en de sociale onzekerheid zijn een voedingsbodem voor religieus obscurantisme dat opnieuw meer het dagelijkse leven van mensen dreigt te bepalen, vaak ten koste van individuele keuzes en individuele ontplooiing.

Vanuit haar liberale en humanistische achtergrond en traditie wil het Willemsfonds een antwoord bieden op deze gevoelens van onzekerheid en gebrek aan houvast, door de individuele emancipatie en het vrij denken te promoten. Daar ligt onze taak in deze stad. Het onderwijs, in het bijzonder het gemeentelijken gemeenschapsonderwijs, is daar in de Willemsfondstraditie het uitgelezen instrument voor. We beseffen evenwel dat het politieke antwoord op het armoedeprobleem ook ligt in structurele solidariteit.

Wij willen een blijvende kritische stem zijn tegen de uitwassen van collectieve dwang, of deze nu cultureel of religieus is. Wij willen mensen overtuigen om een stukje eigen culturele zekerheid en houvast op te geven –zonder hun identiteit daarbij te verloochenen- om zo ervoor te zorgen dat stadslucht vrij maakt, en dat de stad haar rol van emancipatiemachine voor iedereen kan aanhouden.

5. Europa zal meertalig zijn of niet zijn en dat begint in haar hoofdstad

We delen onze hoofdstad met Europa. We mogen daar trots op zijn. Het Europees project als vaccin tegen oorlog, door één gezamenlijke markt en economie, is het beste wat de Europese staten ooit is overkomen.

We willen de 200.000 Europeanen die in Brussel wonen, de 80.000 EU-ingezetenen die rechtreeks of onrechtstreeks voor de EU in Brussel werken, nauwer bij onze stad betrekken. Dit kan door hen stemrecht op het gewestelijk niveau te verlenen.

Meer nog, Europa, net als België, kan pas echt zichzelf zijn als haar meertalig karakter erkend wordt, als de meertaligheid doorleefd is, tot in haar hoofdstad, en er een Europese publieke opinie ontstaat. Brussel kan daar enkel maar een aanzet toe geven door op lokaal en regionaal niveau zoveel mogelijk inspanningen te leveren om waar mogelijk dienstverlening ook in andere Europese talen aan te bieden en door het Engels als administratieve onthaaltaal aan te nemen.

Wij willen door een meertalige dienstverlening en gewestelijk stemrecht voor EU-burgers, als Brusselaars bijdragen om van de hoofdstad van de Europese Unie een echte hoofdstad van alle Europeanen te maken. Brussel is de stad die we met Europa delen.

DE TAAL DIE WE DELEN

6. Het Nederlands

Een bekend raadseltje in Brussel is of we nu Brusselse Vlamingen zijn (met de nadruk op de gemeenschap: Vlamingen die niet in Gent of Antwerpen wonen, maar in Brussel), of Vlaamse Brusselaars (met de nadruk op de stad: Brusselaars, maar dan “de Vlaamse variant”). Naargelang de persoon, het tijdstip, de context, de vraagsteller zal het antwoord wat Vlaamser of wat Brusselser zijn.

Het was Jan Frans Willems die in het nieuwe België, amper 10 jaar na de afscheuring van Nederland, de strijd aanging voor de officiële erkenning van het Nederlands (en niet het Vlaams) als bestuurstaal in ons land, naast het Frans. Anno 2011 is het voor ons nog steeds taal en cultuur die centraal staan. Wij willen het Nederlands in Brussel uitdragen, een taal die we delen met 6 miljoen Vlamingen en meer dan 16 miljoen Nederlanders. Op hun solidariteit en betrokkenheid rekenen we voor ons onderwijs, de letteren, het theater, de film, de cultuur met grote en kleine “c” in de grootste stad van het Nederlandse taalgebied.

Naast Vlaamse Brusselaars en Brusselse Vlamingen is het misschien ook goed te spreken over Nederlandstalige Brusselaars en zouden we de Vlaamse Gemeenschapscommissie van Brussel (VGC) best herdopen tot Nederlandstalige Gemeenschap van Brussel (NG). Als Brusselaars die integraal deel uitmaken van de ‘Vlaamse Gemeenschap’ dagen wij die ook uit om na te denken over haar eigen benaming.

7. La pérennité du fait néerlandais à Bruxelles

In Canada hebben de Franstaligen het niet altijd onder de markt. In Noord-Amerika is het Frans een marginale taal. 8 miljoen Franstaligen tegenover 300 miljoen Engelssprekenden. Toch hebben de Franssprekende Amerikanen hun taal en cultuur geboost. Ze hebben van Montréal een stad op de “grens” tussen culturen gemaakt, een open venster voor de Franse cultuur in Amerika. Montréal was jarenlang als grootstad, door de immigratie en globalisering, de verengelsingsmachine van Fransprekend Canada. Toch werd het een paradepaard van de Franse cultuur. Met veel voluntarisme, tegen de stroom in, en met een strak wettelijk kader, hebben de Franssprekenden hun taal “voor eeuwig” veilig gesteld. Dit beleid, of het nu gaat over immigratie, onderwijs, taalwetgeving of cultuur noemen ze: “garantir la pérennité du fait français” in Noord-Amerika.

Wij willen de aanwezigheid van het Nederlands in onze stad waarborgen voor de toekomst. Wat de Franstalige Canadezen voor Montréal zijn, zijn de Nederlandstalige Brusselaars voor de Hoofdstad.

8. Wie van België houdt, koestert de Nederlandstalige Brusselaars

België is een moeilijke evenwichtsoefening, een institutioneel kaartenhuis. De Brusselse instellingen en de plaats van het Nederlands in de hoofdstad zijn, net als de interpersoonlijke solidariteit in het land, kaarten die het huis stutten. Iedereen weet dat wie daar een kaart wegtrekt, de constructie ineen doet storten. Weet iedereen echter ook dat wie onvoorzichtig tegen de onderste kaarten aanstoot -zelfs zonder de intentie om ze er uit te nemen- ook hetzelfde doel bereikt? Wie aan het huis gehecht is, uit emotionele of uit louter pragmatische overwegingen, is dan ook voorzichtig.

Wij roepen de Franstaligen in de hoofdstad, en de rest van het land, op om het Nederlands in Brussel niet in vraag te stellen. Wie van België houdt, koestert de Nederlandstalige Brusselaars.

9. Het herwonnen vertrouwen van onze taal in de hoofdstad

Bij - gelukkig maar - afwezigheid van taaltellingen bestaan er geen eenduidige definities van wie Vlaamse Brusselaar, Brusselse Vlaming of Nederlandstalige Brusselaar is, en zeker niet hoeveel exemplaren ervan elk in onze stad rondlopen. De ramingen die gemaakt worden gaan telkens in de richting van een dalend aantal. Soit.

Aan de andere kant zijn er ook ramingen over het taalgebruik in Brussel. Deze wijzen op een toenemende kennis van het Nederlands in de hoofdstad: één op drie inwoners kent Nederlands. Meer dan één Brussels kind op vijf gaat naar een Nederlandstalige school in de hoofdstad. Het economisch toegenomen belang van het Nederlands in en rond Brussel is daar niet vreemd aan. Maar kennis van een taal is iets anders dan liefde voor een taal en haar cultuur.

Met de nodige openheid willen we de toegenomen kennis en interesse voor onze taal in de hoofdstad omzetten in respect, sympathie en zelfs empathie voor het Nederlands en haar plaats in Brussel.

10. De wet van Laponce: taal verdedig je ook met wetten

“Tussen de sterke en de zwakke is het de vrijheid die onderdrukt en de wet die bevrijdt,” stelde de vrijheidslievende politieke activist Lacordaire. De Canadese sociolinguist Jean Laponce stelt hetzelfde vast in de verhouding tussen talen. Hoe vriendelijk mensen die verschillende talen spreken ook omgaan met elkaar en elk conflict over de keuze van de taal ontwijken, hun talen zelf zullen zich tot elkaar verhouden volgens de wetten van de jungle: de sterkste overwint. In elk systeem van tweetaligheid of meertaligheid, waar geen wetten het taalgebruik in het onderwijs, de administratie, het economisch leven strikt vastleggen, zal de sterke taal de zwakke taal verdringen.

Het Engels, de wereldtaal bij uitstek sinds de tweede wereldoorlog, verdringt zonder taalwetten het Frans in Canada. Zonder taalwetten verdringt het Frans, een wereldtaal die door immigranten snel wordt opgenomen, het Nederlands in Brussel. Het is de Wet van Laponce in actie.

Respect en aanzien voor het Nederlands willen we winnen door onze openheid en ons onderwijs- en cultuuraanbod, maar zonder strikt wettelijk kader en een duidelijke taalwetgeving kan het Nederlands niet overleven in Brussel.

11. Brussel als internationaal podium voor het Nederlands

Brussel is na Parijs en samen met Montréal de belangrijkste Franssprekende cultuurstad in de wereld. Brussel is ook strikt genomen de grootste en meest bekende Nederlandstalige stad ter wereld. Door haar internationale functie en haar kosmopolitische bevolking is het de uitgelezen plaats om mensen met uiteenlopende achtergronden in contact te laten komen met onze taal en cultuur. Kijken we niet te vaak defensief naar ons Nederlandstalig cultuurbeleid in Brussel, terwijl Brussel het grootste podium is dat een taal als het Nederlands zich kan bedenken om zich te laten kennen en bruggen te slaan met anderen?

Wij willen dat Vlaanderen en Nederland dit wereldwijde podium in onze stad laten benutten. We nodigen hen uit in Brussel.

Ergens tussen de stad die we delen en de taal die we delen ligt ons engagement als Nederlandstalige liberaal en humanistisch geïnspireerde Brusselaars.

 

Dossier beheerder(s)

Verwante artikels