Stadslucht maakt vrij

Deel 4: Cultuur en/in de Stad
Stadslucht maakt vrij is sinds de eerste publicatie in 2005 geëvolueerd tot een vaste waarde en geapprecieerde stem in het debat rond steden. Sven Gatz, Sas van Rouveroij en Christian Leysen zijn nu al aan hun vierde publicatie toe. Het boek focust deze keer op cultuur in de stedelijke context, in de breedste zin van het woord: Cultuur en/in de Stad.

Cultuur beïnvloedt de individuele ontplooiing en emancipatie, beïnvloedt ook integratie en sociale cohesie. Cultuur is onontbeerlijk voor de identiteitsvorming van de eigen inwoners én voor het op de kaart zetten van een stad naar de buitenwereld toe. Tot slot is stedelijke cultuur een wezenlijke motor voor de economie en de tewerkstelling in de stad.

Cultuur en/in de Stad is opgetrokken rond enkele begrippenparen. In Stad/Cultuur pogen we de relaties tussen beide concepten weer te geven. Hoog/Laag verwijst naar de variëteit aan cultuurvormen, Identiteit/Imago toont aan dat cultuur zowel intern als extern haar weerslag heeft, Cultuur/Culturen verlegt de aandacht naar de variëteit binnen het publiek, terwijl in Publiek/Privaat dan weer gekeken wordt naar de financieringsmogelijkheden.

De bijdragen in Cultuur en/in de Stad zijn van Sven Gatz, Christian Leysen, Sas van Rouveroij, Patrick Stouthuysen, Johan Basiliades, Jan Pille, Mattias De Backer, Andreas Tirez, Steven Heene, Kurt Melens, Jan Goossens, Erwin Jans, Guy Cassiers, Mercedes Van Volcem, Peter de Caluwe, Luckas Vander Taelen, Robert Delathouwer, Herman Mennekens, Lieven Scheire, Lieven Thyrion, Frederik Sioen, Wannes Cappelle, Dirk Diels, Edith Vervliet, Kenneth Ramaekers, Dominique Willaert, Marc Jeanty, Eric Van Hooydonk, Martina Violetta Jung, Trudo Dejonghe, David Steegen, Veerle De Bosscher, Stefaan De Ruyck, Wim Dewaele, Marleen Wynants, Catharina Thörn, Jozefien Van Beek, Thibaut Verhoeven, Eva De Groote, Henk Oosterling, Brien Coppens, Paul De Knop, Herman Schueremans, Patrick De Groote, Jean-Jacques De Gucht, Piet Callens, Thomas Leysen, Alain Liedts, Jari Demeulemeester en Bart Eeckhout.

Cultuur en/in de Stad - Highlights

“De essentie van emancipatie is dat mensen een zo ruim mogelijke waaier van cultuuraanbod moeten kunnen hebben om daarin vrij te kiezen. Om dat aanbod zich zo ruim mogelijk te laten ontplooien kan de overheid wel een rol spelen in het creëren van basisinfrastructuur. Een overheid moet dus wel zorgen voor het glas, maar of daar dan bier of wijn in uitgeschonken wordt, daar heeft ze zich niet mee te moeien.”
Sven Gatz, Sas van Rouveroij, Christian Leysen.

“De creatie van publieke ontmoetingsplekken her en der in de stad, zodat je cultuur letterlijk overal kan tegenkomen is belangrijk. De spreiding ervan mag niet uit het oog verloren worden. Daarom zijn wij van oordeel dat de Vlaamse overheid best wat meer inzet op de stad als cultureel knooppunt, eerder dan het aanbod –weliswaar goedbedoeld- dusdanig te versnipperen dat de beleving van cultuur stopt aan de grenzen van het eigen dorp.”
Sven Gatz, Sas van Rouveroij, Christian Leysen.

“In stadsdebatten merk ik vaak dat burgers spreken alsof zij geen deel uitmaken van het stedelijke beleid. Ze bekritiseren het stedelijke beleid alsof ze een volledige buitenstaander zijn. We moeten de democratische ruimte versterken. We kunnen en mogen niet neutraal zijn. Elke burger, elke organisatie moet de moed ontwikkelen om het eigen belang én de gedeelde belangen te verwoorden. In die zin is de stedelijke overheid ook altijd deels een bondgenoot en dus niet alleen maar een tegenstander die moeten worden bekampt of bestreden.”
Dominique Willaert.

“De overheid heeft een belangrijke taak: talent op de juiste manier, of beter, op het juiste moment ondersteunen. Er is die periode van underground, een creatieve fase waarin je uitzoekt wat het is dat je wilt doen. Je ontmoet de juiste mensen, er ontwikkelt zich een bepaalde scene. De fase erna is de moeilijkste. Je denkt dat je iets kan, je wil iets presteren, maar succes volgt niet direct. Dat is het moment waarop een bepaalde ondersteuning op haar plaats is. Daarvoor is een stad bijzonder goed geplaatst, aangezien zij heel goed weet wat leeft.”
Lieven Thyrion.

“Nieuwe technologieën creëren een nieuw kanaal van de kunstenaar naar het publiek. Als gevolg daarvan experimenteren vele kunstenaars binnen dit nieuwe medium. Bovendien ontstaat ook een verandering in de manier waarop wordt geconsumeerd. Het lineaire model, waarbij de programmator een grote invloed heeft op wat het publiek te zien krijgt, wordt volledig onderbroken. De consument krijgt daardoor meer vrijheid, hij kan zelf veel gemakkelijker op zoek gaan naar wat hem al dan niet interesseert.”
Wim Dewaele.

“Ik ben ervan overtuigd dat cultuur en ondernemerschap aan het begin van deze eenentwintigste eeuw nieuwe samenwerkingsvormen moeten vinden. In de voorbije decennia kon de overheid steeds meer middelen ter beschikking stellen van de cultuursector. Maar nu, op een ogenblik wanneer al onze Europese overheden geconfronteerd worden met een economische groei die trager zal zijn dan in de gouden jaren, zal het private initiatief een groot stuk van die leemte moeten opvullen. Sommigen vrezen hierbij een nefaste druk van de commercialisering. Dit gevaar is zeker niet totaal denkbeeldig, maar al te snel wordt hierbij vergeten dat het ambtelijke sturen van het cultuurbeleid en het zorgvuldig verdelen van de beschikbare budgetten over de vele vragende partijen al bij al een vrij recente innovatie is.”
Thomas Leysen.

“De zachte waarden van een haven, naast het harde economische verhaal, omvatten ondermeer de functies van de haven als een voorwerp van verering, mythen en legenden, als een toevluchtsoord, als een poort tussen historische tijdperken, als een doorgangskanaal voor vrije handel en goederen, als een voedingsbodem voor het menselijk intellect, als een specifieke kosmopolitische gemeenschap, als een artistiek thema, en als een bron van burgertrots. Maar ook: de functies van de haven als een zintuiglijk genotsmiddel, als een verzameling van onroerend erfgoed, als een uniek menselijk landschap, als een experimenteerveld voor stedenbouwkundigen en architecten, en als een toeristische attractie en een recreatieoord.”
Eric Van Hooydonk.

“Bijzonder interessant is wat er zich in de stedelijke subculturen ontwikkelt, zoals parkour: een soort hindernissenrace door de stad, waarbij jongeren over muren klauteren, van daken springen en gevels beklimmen. Dat levert bijzonder tot de verbeelding sprekende beelden op. Een slimme stad denkt na of ze niet ergens een terrein ter beschikking kan stellen voor de liefhebbers van parkours. Als die stad het goed aanpakt kan ze er allerhande evenementen rond organiseren. Stel je voor, het eerste Europese kampioenschap parkour in, bijvoorbeeld, Gent. Wij supporteren alvast voor het toekomstige Belgische nationale parkourteam.
Patrick Stouthuysen en Johan Basiliades.

“Wanneer je een kind laat kiezen wat het eet, eet het alleen spaghetti en zoetigheid. Er zijn andere media die het publiek in overvloed entertainment geven. We willen met Toneelhuis het publiek uitdagen.”
Guy Cassiers.

“Wat mij het meest treft is dat we blijven rapporten en onderzoeken en analyses bestellen en betalen, en wanneer nieuwe machthebbers de plaats van de vorige innemen doen we alsof we alles opnieuw moeten uitvinden. Alle aandacht gaat dan ook uit naar waar het geld moet gaan, wie en wat gesubsidieerd wordt. De vraag hoe het publiek en de ‘gewone man of vrouw’ in de straat er kan bij betrokken worden maakt zelden het voorwerp uit van de eerste zorg.”
Robert Delathouwer.

“Nu Frans- en anderstalig Brussel massaal de weg heeft gevonden naar de Vlaamse scholen in de hoofdstad lonkt evenwel een nieuwe uitdaging. Want morgen zal de vraag naar een kwalitatief, buitenschools, Nederlandstalig aanbod in Brussel luider dan ooit weerklinken. Een taal leer je immers niet enkel op de schoolbanken, tijdens de schooluren en binnen de schoolmuren. Daar zijn alle pedagogen het over eens. Een taal moet je (be)leven, daar moet je mee spelen, daar bouw je enkel, door interesse, emotie en ervaring, een band mee op.”
Herman Mennekens.

“Een komiek die grappig is én relevant, dat is ideaal, een komiek die grappig is maar geen enkel maatschappelijk thema aansnijdt is nog steeds een goede komiek. Een komiek die een verhaal vertelt en relevant is maar niet grappig, die moet dan maar filosoof worden of iets dergelijks.”
Lieven Scheire.

“Bij grootschalige internationale sportevenementen wordt steeds direct verwezen naar de economische return. Bij cultuur daarentegen, zoals ondermeer het bezoek van de reuzen in Antwerpen, wordt die vraag nooit gesteld, vraagt niemand zich af hoeveel het heeft opgebracht. Het brengt zeker imago op, maar over het economische verhaal kunnen we maar beter zwijgen.”
Trudo Dejonghe.

“Na de theaters en salons van de 19e-eeuwse burgercultuur volgen de bioscopen en TV’s in de 20e eeuw. 21e-eeuwse burgerschap weet zich ingebed in nieuwe media en social media. Maar of het nu in theekransjes, leesclubjes, disputen, proeverijen en kookgroepen of tijdens theater- en museumbezoeken gebeurt, mededelen en deelnemen, communicatie en participatie zijn de kernactiviteiten van culturele vorming.”
Henk Oosterling.

“In Florida’s analyse is de aanwezigheid van een bepaalde ‘cultuur’ in de stad noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van een bloeiende stad, ondermeer op het vlak van innovatie, economie, ondernemerschap, kunst en cultuur. Dat geloof ik best, maar we mogen één zaak zeker niet uit het oog verliezen. Het omgekeerde is evenzeer waar. Het is pas wanneer er een bepaald socio-economisch weefsel bestaat in een stad, dat er zich een scene zal ontwikkelen, dat ondernemende types brasseries, galeries of arthouse cinema’s zullen opstarten.”
Jari Demeulemeester.

Cultuur en/in de stad. Een liberale kijk op steden en cultuur

Sven Gatz, Sas van Rouveroij, Christian Leysen

Wat betekent ‘een liberaal cultuurbeleid voor de stad’ eigenlijk? Wat kan een stad voor cultuur betekenen en cultuur voor een stad? Is cultuur in de stad hetzelfde als stadscultuur? Kan cultuur iets betekenen voor integratie en participatie? Hoe verhouden subculturen zich tot publieke ruimtes? Zijn culturele plekken de hoeksteen van de stedelijke ruimte?

Veel vragen waar we in deze tekst en ook in de rest van dit boek een antwoord proberen op te geven. We vertrekken alvast van één zekerheid: het gaat ons om een breed cultuurbeleid: ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur in een melting pot, theater én sport dus, gevestigde waarden én nieuwe projecten.

Cultuur en liberalisme

Alvorens in te gaan op hoe liberalen naar cultuur, naar de stad en naar steden en cultuur kijken is het nuttig om even stil te staan bij de verschillende manieren waarop cultuur zoal in het algemeen politiek en maatschappelijk leven kan benaderd worden. Binnen dat begrippenkader proberen we dan telkens de plaats van een liberale opvatting te situeren, bij wijze van opwarming. Met ‘liberaal’ bedoelen we in deze tekst overigens eerder de liberaal-filosofische stroming dan wel het partijpolitieke etiket.

Voor dit begrippenkader hanteren we de parameters en criteria die aan bod komen bij socioloog Wim De Pauw in zijn analyse van cultuur en beleid in Vlaanderen. Daarbij komen telkens twee tegengestelde criteria om naar cultuur te kijken in beeld, die dan op een schaal van nul tot tien beide uitersten weergeven. Op die denkbeeldige schaal plaatsen we dan indicatief waar een liberale visie volgens ons thuishoort.

Een cultuuropvatting kan in de eerste plaats instrumenteel dan wel intrinsiek zijn. Dit betekent dat cultuur ofwel beschouwd wordt als een instrument om bepaalde maatschappelijke en/of politieke doelstellingen te helpen realiseren, ofwel dat cultuur bekeken wordt als een waarde op zich. Liberalen verhouden zich op deze schaal eerder op zeven of acht, wat inhoudt dat ze zeer dicht bij de absolute intrinsieke opvatting aanleunen. Kwalitatieve kunst is immers belangrijk en noodzakelijk an sich: elke vorm van creativiteit heeft zijn rol, zijn plaats, zijn waarde, wanneer deze erin slaagt mensen te raken. Volledig los van zijn instrumentele functie komt cultuur wellicht ook nooit, omdat het sowieso een onderdeel is van historische, economische en maatschappelijke ontwikkelingen en omdat het kan zorgen voor wederzijds begrip, betrokkenheid en verrijking. Een socialistische benadering zal bijvoorbeeld veel dichter bij het instrumentele uitkomen. Denken we maar aan het debat dat door voormalig minister Bert Anciaux rond cultuurparticipatie gevoerd werd: cultuur moest de samenleving openbreken en maatschappelijk beleefd worden. Daarbij telden vaak niet alleen de artistieke prestaties maar ook en vooral de maatschappelijke rol die cultuur kon spelen. Liberalen zullen daarentegen cultuurparticipatie als een middel en niet als een doel op zich zien. Door deel te nemen aan cultuur worden zelfontplooiing en zelfredzaamheid vanzelf gestimuleerd. Dit onderscheid is echter een moeilijke zaak. Als politicus, als subsidiërende overheid, zal je steeds moeten kunnen verantwoorden waarom een culturele speler of instantie steun verdient. Ook liberalen geven hier naast de intrinsieke kwaliteitsbeoordeling andere argumenten mee. Dat is ook logisch, het geïnvesteerde belastingsgeld dient op een of andere manier een maatschappelijke return-on-investment te genereren. Hierop wordt vaak impliciet gedoeld wanneer men het heeft over de emanciperende of zelfontplooiende kracht van cultuur. Het is als overheid met andere woorden quasi onmogelijk om er een pure, intrinsieke cultuuropvatting op na te houden en op de schaal van De Pauw een 10 te scoren.

Een tweede schaal bevindt zich tussen een smalle (nul) en een ruime (tien) cultuuropvatting. Smal betekent hier dat cultuur zich beperkt tot wat traditioneel als cultuur met een grote C aanzien wordt: letteren en schone kunsten, met daaraan gekoppeld een verzameling van hoogtepunten uit deze cultuur. Een ruime appreciatie van alles wat met cultuur te maken heeft is meer van antropologische aard, waarbij cultuur staat voor de totale levenswijze van een sociale groepering.

Over het algemeen zullen de verschillende filosofische stromingen in Vlaanderen hier waarschijnlijk niet fundamenteel van elkaar verschillen. Cultuur wordt gezien als iets dat voor iedereen anders is en ook beleefd wordt. Cultuurbeleid wordt zeer breed ingevuld, van hobbyclubs tot opera, van een circusvoorstelling tot avant-gardetheater. Een afwijkende eigen liberale opvatting is hier minder zichtbaar, op de nuance na misschien dat cultuur niet elitair moet zijn, maar het mag wel.

Cultuur kan ook tussen overheid en markt geplaatst worden of, eenvoudiger gesteld, tussen gesubsidieerde en volkomen commerciële cultuur. In dit spanningsveld bevinden de liberalen zich ongeveer in het midden van het bed. Dat kan wel verschillen tussen de utilitaire (de zogenaamde rechtse) liberalen en de ontplooiingsliberalen (doorgaans als linkse of ‘sociaal’ betitelde liberalen). Gemeenzaam en historisch is het grootste deel van Vlaanderen voorstander van een centrale en betoelagende rol van de overheid in de cultuursector. Liberalen willen minstens ook de mogelijkheden van (al dan niet aanvullende) private financiering in de verschillende geledingen van het cultuurlandschap onderzoeken. Zo hielp de tax shelter al heel wat privékapitaal naar de filmsector vloeien. Ook is het nuttig het debat over al dan niet oversubsidiëring voortdurend te blijven voeren. Sommige stemmen geloven dat een al te comfortabele positie een niet te onderschatten rem is op creatieve ontwikkeling en cultuurproductie. Een studie van Kristien Werck heeft uitgewezen dat, althans in theater, niets minder waar is. Uit haar statistisch onderzoek is gebleken dat met dezelfde middelen steeds meer (co)producties en projecten worden opgezet. Een comfortabele gesubsidieerde positie betekent dus hoegenaamd niet dat de creatieve ontwikkeling of productie wordt geremd.

Waar men het ook binnen de sector wel mee eens is, is dat tijdens de vette jaren onder voormalig minister Anciaux vele nieuwe spelers op de subsidiebus zijn gelaten maar er veel te weinig zijn afgestapt. Sommige gezelschappen of individuele artiesten functioneren kwalitatief niet meer naar behoren. Er moet dringend nagedacht worden over een uitstroomscenario van bepaalde gezelschappen en individuen die door de subsidiërende overheid in het verleden alle kansen hebben gekregen en nu niet meer voldoen of dat nooit echt hebben gedaan. Dé grote ingreep die in deze tijden van schaarste moet gebeuren, is niet bedragen of subsidies afschaven maar ze punctueel wieden.

Een ander dilemma: moet een succesvol cultuurbeleid enkel voorwaardenscheppend zijn of ook inhoudsbepalend? De band met de hoger genoemde schaal ‘instrumenteel versus intrinsiek’ is hier evident.

Bij een voorwaardenscheppend cultuurbeleid doet de overheid geen uitspraken over de kwaliteit van kunst en zorgt ze in eerste instantie voor optimale condities waarbinnen de kunsten zich in alle vrijheid kunnen ontwikkelen. Bij een inhoudsbepalend cultuurbeleid kan en mag de overheid accenten leggen en prioriteiten stellen. Vlaams-nationalisten zullen bijvoorbeeld geneigd zijn ‘Vlaamsonvriendelijke’ kunst beleidsmatig niet positief te benaderen; socialisten zullen hun spreekwoordelijke neiging tot het omarmen van gemeenschapsbevorderende cultuur moeilijk kunnen onderdrukken; liberalen vermijden dit gevaarlijk hellend vlak graag en stellen enkel een voorwaardenbeleid voorop.

Of in het cultuurbeleid het primaat van de politiek moet spelen dan wel de autonomie van de fondsen is de volgende vraag die we in dit bestek willen beantwoorden. Het primaat van de politiek heeft tot gevolg dat de overheid het laatste woord heeft bij (financiële) beslissingen, terwijl bij de autonomie der fondsen (denken we bijvoorbeeld aan het Vlaams Audiovisueel Fonds, VAF) deze zelf de beschikbare middelen verdelen zonder tussenkomst van de politiek. Liberalen bevinden zich hier dichter bij de autonomie: kwaliteitsbeoordeling en beoordeling van beleidsplannen moeten gebeuren door onafhankelijke commissies op basis van expertise en de sector moet meer autonomie krijgen op voorwaarde dat de culturele ontzuiling verder wordt aangepakt.

Tot slot van deze algemene inleiding is er het gekende en aloude spanningsveld tussen behoud en vernieuwing. Een liberale visie leunt uiterst dicht bij de vernieuwing aan: de overheid moet immers ruimte creëren voor vernieuwing en experiment. Vernieuwing stimuleren betekent voor ons echter niet automatisch meer subsidies. Wij bekijken het meer als een spontaan proces, van binnen uit, eigen aan cultuur. Vernieuwing hoort dus niet zozeer thuis in het cultuurbeleid, wel in het culturele leven en het moet dus geen doorslaggevend element van het beleid zijn, dan wel een natuurlijk element van cultuur. Vernieuwing wordt dus best als criterium uit de Vlaamse decreten gehaald; de vernieuwingsidee is er nu te sterk in verankerd. Als vernieuwing niet vanzelf in de culturele sector gebeurt, is er immers iets mis met de sector. Een decretale verankering van ‘het nieuwe’ of het honoreren daarvan dreigt immers contraproductief te worden en vernieuwing tot een hol begrip te herleiden.

Vijf goede redenen

Nu we het speelveld in de lengte en de breedte wat beter kennen, kunnen we onszelf de bijna metafysische vraag stellen of liberalen zich eigenlijk wel moeten bezighouden met stedelijk cultuurbeleid? Er zijn vijf goede redenen om die vraag bevestigend te beantwoorden.

Participatie

Volksontplooiing, volksverheffing, het zijn woorden uit een andere eeuw die destijds vooral door socialisten hoog in het vaandel gedragen werden. Toch leunt het nauw aan bij wat liberalen verstaan onder emancipatie, gisteren, vandaag en morgen. De essentie is dat mensen een zo ruim mogelijke waaier van cultuuraanbod moeten kunnen hebben om daarin vrij te kiezen. Om dat aanbod zo ruim mogelijk te laten ontplooien, kan de overheid wel een rol spelen in het creëren van basisinfrastructuur. Een overheid moet dus wel zorgen voor het glas, maar of daar dan bier of wijn in uitgeschonken wordt, daar heeft ze zich niet mee te bemoeien. Maar hoe meer glazen, hoe meer drank er kan vloeien, daar gaat het om. De noodzaak voor een overheid om in basisinfrastructuur te voorzien vertaalt zich uiteraard in een verhaal van gebouwen en infrastructuur zoals theaters, werkplekken, ateliers, skateparks, multifunctionele sportstadions en concertzalen. Culturele participatie leidt naar emancipatie. Een vrij mens zal ook meestal een verantwoordelijke burger zijn.

Maar het gaat niet alleen over bakstenen. De overheid moet eveneens werk maken van cultuureducatie en -informatie op zo jong mogelijke leeftijd. Zo krijgen kinderen smaak en plezier in cultuur.

Ook de creatie van publieke en veelzijdige en onverwachte ontmoetingsplekken her en der in de stad, zodat je cultuur letterlijk overal kan tegenkomen, is belangrijk. De spreiding van grote en kleine cultuurplekken in de stad mag niet uit het oog verloren worden. In een bredere context zijn wij overigens van oordeel dat de Vlaamse overheid best wat meer inzet op de stad als cultureel knooppunt, eerder dan het aanbod – weliswaar goedbedoeld – dusdanig te versnipperen dat de beleving van cultuur stopt aan de grenzen van het eigen dorp.

De overheid moet ook afwegen wat ze zelf wil doen en wat cultureel (beter) door de markt gedaan wordt, al is het ook hier de complementariteit van het totale aanbod dat finaal de stad een gezicht geeft.

Dat voor wat betreft de aanbodzijde. Het spreekt voor zich dat een verantwoordelijke overheid ook impulsen geeft om de diversiteit van het publiek zowel naar verlangens, koopkracht als kleur te garanderen.

Burgerschap

Zo komen we tot een tweede reden waarom een stedelijk liberaal cultuurbeleid of een liberaal kunstenbeleid tout court volgens ons nuttig is. Het zorgt voor sociale cohesie, maar ook voor integratie en burgerschap.

Tegenwoordig wordt er veel gepraat over inburgering. Op liberaal initiatief werden inburgeringstrajecten ingevoerd waarbij nieuwkomers taal, maatschappelijke oriëntatie en doorstroming naar de arbeidsmarkt voorgeschoteld krijgen. Belangrijk, omdat het traject een instapklaar kansenpakket aanbiedt. Toch wordt het debat rond inburgering soms bezoedeld door al te hoge verwachtingen: wie een inburgeringstraject gevolgd heeft, zou geïntegreerd zijn. Inburgering is iets wat een samenleving kan aanbieden en tot op zekere hoogte legitiem kan opleggen, maar het bredere integratieproces is iets wat zich in het hoofd van de nieuwkomer(s) afspeelt. Sommigen doen er enkele maanden of jaren over, bij anderen duurt het een mensenleven lang, nog anderen integreren nooit.

In de al te eenvoudige kortetermijnaspiraties van het inburgeringstraject kunnen kunst en cultuur wel een positieve rol spelen in het lange en bochtige pad van de integratie. Cultuur kan de brug slaan tussen inburgering en burgerschap. Inburgering is iets wat men mag verwachten van nieuwkomers; aan burgerschap mag men bij iedereen appelleren, ongeacht leeftijd, geslacht of etnische achtergrond. Inburgering kan men in een instrumenteel traject gieten (al is dat toch al een hele klus), actief burgerschap is veel moeilijker te bereiken en lijkt soms op een sisyfusarbeid. Mensen inburgeren verloopt grotendeels langs een rationele lijn met argumenten, terwijl burgerschap en integratie bij uitstek emotionele concepten zijn. Ook het beladen identiteitsdiscours is dat. Toch lijkt het ons makkelijker voor een individu om zich te integreren in een burgerschap dan in een identiteit. Aangezien ook kunst en cultuur bij uitstek emotionele elementen zijn, zijn ze uitermate geschikt als katalysator tot burgerschap en integratie.

Natuurlijk moet de overheid (zie vorig punt) er dan wel in slagen om met haar cultuurbeleid alle lagen van de bevolking te bereiken, waarbij er ook een snijpunt ontstaat tussen cultuurbeleid en intercultureel beleid. Voor ons is de multiculturele samenleving niet mislukt, ze is er gewoon. Het is een proces van voortdurend vallen en weer opstaan. Cultuur helpt bij het opstaan.

Imago

Cultuur, collectieve identiteit en imago vallen nergens zo samen als in de stad. Een stad heeft een ‘smoel’ nodig en cultuur speelt daarin een doorslaggevende rol. En dan valt het voor sommigen vermaledijde woord ‘citymarketing’. Waar we het in de vorige twee redenen voor een liberaal stedelijk cultuurbeleid vooral hadden over immateriële redenen, komen we nu duidelijk op de grensplek waar de continenten cultuur en economie elkaar raken. Toch is er een rangorde: er is eerst het (al dan niet historisch) cultureel aanbod van een stad en dan pas kun je het gaan ‘verkopen’ om een stad op de (wereld)kaart te zetten.

Bijna alle steden hebben dit begrepen. Kijk maar naar Barcelona, Bilbao of Amsterdam en je weet wat we bedoelen.  Ook in eigen land is er veel gebeurd de laatste jaren. Brugge is een vermaard voorbeeld van een stad met een erfgoedgezicht. Gent positioneert zich als authentieke, historische en toch levende stad; Antwerpen is na haar culturele hoofdstadjaar in 1993 nooit meer stilgevallen en bruist verder met evenementen als ‘De Zomer van Antwerpen’. Alleen Brussel hinkt achterop en blijft wat hangen in het obligate trio Grote Markt, Manneke Pis en Atomium als USP. Toch is er ook daar beterschap op komst met bijvoorbeeld het Magrittemuseum op de Kunstberg.
¨
Citymarketing als verlengstuk van het cultureel gezicht van een stad is niet meer weg te denken. Het is immers een belangrijke economische sector geworden in een groeiende internationale vrijetijdsmarkt die zorgt voor inkomsten en werkgelegenheid met daarbovenop een prettige cultuurbeleving.

Er is wel één valkuil. In bepaalde gevallen wordt een citytrip herleid tot loutere culturele massaconsumptie zonder meer en worden bepaalde stadsdelen gereduceerd tot pretparken. Dit staat in schril contrast met de ambitie van stedelijke overheden om van diezelfde buurten aangename woonwijken te maken om mensen terug naar te stad te halen of hen er minstens te houden. Een ‘stad met een smoel’ refereert dus niet alleen aan imago maar ook aan identiteit. We hebben het hier overigens niet over ongrijpbare concepten als ‘volksaard’ maar over de actieve en actuele identificatie van een bewoner ten opzichte van de wijk of van een inwoner ten opzichte van de stad. Wijkgebonden instellingen zoals De Vieze Gasten of Victoria Deluxe in Gent of H30 in Mechelen zijn daar goede voorbeelden van. Ook de stadstheaters proberen, met wisselend succes, een dergelijke rol te vervullen. Tot slot: de beide aspecten versterken elkaar. De organisatie van een groots cultureel festival of sportevenement draagt in de eerste plaats bij tot het goede imago van de stad. Maar als een stad zich op die manier in de kijker heeft gespeeld is het niet onlogisch dat de trots van de inwoner in gelijke mate groeit. Spreek maar eens een Gentenaar aan over een van de grootse exporttroeven van zijn stad, namelijk de Gentse Feesten.

Creatieve economie

We gaan nog een stap verder op de as cultuur-economie. Onnodig te herhalen dat de stad nog steeds de plaats bij uitstek is waar ‘het’ gebeurt, for better and for worse. Spanningen en samenlevingsproblemen komen er eerder dan elders aan de oppervlakte, nieuwe ideeën zien er vroeger het levenslicht.

Die nieuwe ideeën leiden vaak tot economische ontwikkeling en welvaart. We hadden het al over het succes van citymarketing, maar het zit natuurlijk dieper. Culturele evenementen worden vaak bekeken als subsidievreters, maar vele van hen hebben een economische return, rechtstreeks in ticketverkoop en bezoekersaantallen en onrechtstreeks door uitgaven van bezoekers in de plaatselijke horeca, en dan hebben we het nog niet over de moeilijk meetbare en immateriële feel good-factor die sommige private ondernemingen hen benijden. Cultuur wordt een groeiende economische pijler, zeker in de stad.

Ook de uitgangspunten van Richard Florida gaan nog steeds op: een stad heeft er belang bij een tolerante sfeer op haar grondgebied te creëren, dat heeft een sterke aantrekkingskracht op mensen die creatief denken, dit vertaalt zich in een toenemend belang van creatieve economie die nieuwe impulsen geeft aan de economische ontwikkeling in het algemeen, ook buiten de stad. Hoe groter, hoe breder en hoe diverser het cultuuraanbod, hoe meer een tolerante leefomgeving tot stand komt. Cultuur is dus niet alleen een doel op zich, altijd en overal, maar kan tegelijk ook een middel zijn om humus voor economische vooruitgang te produceren. In welbepaalde sectoren, zoals bijvoorbeeld de filmindustrie, kan alternatieve financiering uit de private sector daarnaast ook voor een extra hefboom of multiplicatoreffect zorgen.

Wereldtaal

Een vijfde en laatste reden om de liberale schouders onder een stedelijk cultuurbeleid te zetten is dat cultuur een internationaal communicatiemiddel is; het is misschien wel de enige echte wereldtaal. Een stad die cultureel sterk staat, eist meteen een hoofdrol op in de steeds toenemende globalisering. Wie zei ook weer dat ‘the City’ de staat van vandaag is?

Cultuur is een stedelijke slagader, waar rood en blauw bloed door stroomt. Ons liberaal hart klopt er in elk geval sneller van.

Dossier beheerder(s)

Verwante artikels